Ooit, nog niet zo heel lang geleden, solliciteerde ik naar de functie van Trainee bij de Auditdienst van het Rijk. Men was, zo sprak uit de vacature, op zoek naar jonge onderzoekers. Aangezien de tekst verder opriep om vooral ‘de creativiteit’ te gebruiken voor de sollicitatie, schreef ik het volgende sprookje. (Nee, een filmpje maken, je weekend vloggen of een mindmap maken is niet creatief.)

Lang, lang geleden, in een afgelegen land leefde eens een koning. De koning was tevreden: zijn velden waren groen, zijn akkers stonden in bloei en de laatste oorlog was nog slechts een sterk verhaal dat oude mannen bij het haardvuur ten gehore brachten. Maar zoals elk verhaal begint ook dit verhaal met ‘op een dag’. Want op een zeker tijdstip van een zekere dag, het moet zo aan het einde van de zomer zijn geweest, liep de adviseur van de koning met een zorgelijk gezicht de privévertrekken van de majesteit binnen. “Majesteit,” sprak hij, “zoals u weet zijn onze inspecteurs al ruim drie maanden op pad om de verschuldigde leges van uw onderdanen te innen. Maar tot op heden keren zij telkens met lege handen terug. “Hoe is dat mogelijk?” riep de koning onthutst. “De velden zijn groen, de akkers staan in bloei en we zijn op het moment niet in oorlog! De schatkist zou vol moeten zijn.” De adviseur wipte van zijn ene op het andere been. “Mijn hoofdinspecteur heeft mij verteld, majesteit, dat al zijn medewerkers beroofd zijn door bendes. Het garnizoen is door jaren van welvaart en voorspoed een organisatie geworden waar verwende rijkeluiskinderen pochen met hun uniform en een oogje dichtknijpen wanneer de wapens worden gestolen en verhandeld. Het garnizoen heeft geen controle meer over de Rijkswegen.” “Maar dat is onmogelijk!” riep de koning. “Net als mijn vader en grootvader plaats ik zelf de orders bij de koninklijke smederijen en zie ik er op toe dat de wapens achter slot en grendel verdwijnen. Bovendien controleer ik de boekhouding en de betalingen en hebben maar drie personen toegang tot de schatkamer: de hoofdinspecteur, u en ik.” “Het ziet er naar uit, sire, dat er toch iets mis gaat. Ik stel u voor om een onderzoek uit te laten voeren naar de verdwenen wapens door drie wijze onderzoekers die elk hun specialisme hebben. Ik ben zo vrij geweest hen vast te selecteren en mee te nemen zodat ik ze aan u voor kan stellen.” De koning knikte waarop de adviseur zich omdraaide en naar de soldaat bij de ingang gebaarde de deur te openen. Twee vrouwen en een man kwamen de zaal in gelopen. “Majesteit”, sprak de adviseur, “sta mij u toe Ingeborg, Mirjam en Caspar te presenteren. Zij zullen het onderzoek naar de verdwenen wapens leiden. Ingeborg zal zich richten op het financiële reilen en zeilen. Mirjam zal de beveiliging onderzoeken en Caspar zal zich toeleggen op het onderzoeken van mensen, procedures en processen.” De koning knikte nogmaals en na een korte buiging verlieten de adviseur en zijn onderzoekers de privévertrekken van de koning.

Met het kasboek van de koning in haar handen liep Ingeborg naar de koninklijke smederijen en de hoofdsmid. “Volgens dit kasboek ontvangt u iedere maand de som van tweeduizend florijnen voor het leveren van vijftig harnassen, honderd zwaarden en driehonderdvijftig speren.” “Ja, kijk,” begon de hoofdsmid, “dat zit zo. Ik heb maanden geleden al bij de adviseur van de koning aangegeven dat de prijs van ijzererts dusdanig gestegen is dat ik voor tweeduizend florijnen niet kan produceren. Kijk maar om je heen, ik heb iedereen moeten ontslaan.” Ingeborg keek om zich heen en inderdaad, in de smederij was behalve hen tweeën niemand te bekennen. “Maar de koning ziet erop toe dat iedere maand de wapens worden opgeslagen. Waar haalt u de wapens dan vandaan?” De hoofdsmid kreeg een kleur als een vers gesmeed zwaard. “Nu ik geen salarissen meer hoef te betalen, gebruik ik de tweeduizend florijnen om via een handelaar wapens uit de landen om ons heen te importeren. Zo kan ik iedere maand leveren, klopt de boekhouding en hoeft niemand te weten dat wij zelf niet meer produceren. Ik kan er ook niets aan doen,” vervolgde hij, “dat de adviseur van de koning niet wilde luisteren naar mijn waarschuwingen. Ik moest toch iets bedenken, anders zou ik zelf op straat staan! Het is vreselijk, alle smeden en knechten hebben geen korstje brood meer te eten.”

Ondertussen was Mirjam naar het wapendepot en de officier van de wacht gelopen. “Ik ben door de koning aangesteld om de verdwijning van wapens uit het depot te onderzoeken. Vertelt u mij alles over de beveiliging van het depot.” “Zeker,” antwoordde de officier van de wacht. “Iedere maand worden de nieuwe wapens onder het toeziend oog van de koning en zijn adviseur het depot binnen gereden en uitgeladen. Wanneer het garnizoen nieuwe spullen nodig heeft, komt de commandant naar mij toe en vult hij de benodigde formulieren in. Hoeveel wapens, harnassen en dergelijke hij nodig heeft en wil meenemen. Ik heb als enige een sleutel en ben verantwoordelijk voor het openen en sluiten van de deur. En met de sloten op de deur is niets aan de hand, kijk maar.” Mirjam onderwierp de sloten aan een minutieus onderzoek en kwam ook tot de conclusie dat de deur niet geforceerd was. “Maar wat ik niet begrijp,” zei ze peinzend, “is hoe er wapens gestolen kunnen worden als u de enige bent die een sleutel van het depot heeft. Wellicht zijn er tunnels onder het depot gegraven.”

Terwijl Ingeborg en Mirjam op onderzoek waren gegaan, was Caspar met de adviseur van de koning terug naar zijn residentie gelopen. “Vertelt u mij nog eens hoe u ontdekt hebt dat er wapens werden gestolen uit het koninklijk depot?” “Nou,” begon de adviseur, “tijdens één van mijn routinecontroles in het depot, enkele maanden geleden, ontdekte ik dat het papierwerk niet klopte met de hoeveelheid wapens in depot. Ik weet zelf hoeveel wapens er elke maand het depot in worden gebracht en de garnizoenscommandant had minder wapens meegenomen dan dat ik er telde. Er moeten dus wapens ontvreemd zijn.” “Juist,” sprak Casper, “en hoe verloopt het bestelproces?” “Iedere maand,” antwoordde de adviseur, “ondertekent het secretariaat van de koning het bestelformulier waarna de adviseur van de koning het document met de betaling bij de smederijen aflevert. De garnizoenscommandant heeft ooit eens bepaald dat hij iedere maand vijftig harnassen, honderd zwaarden en driehonderdvijftig speren nodig heeft ter vervanging van het huidige materiaal. Uiteraard neemt de commandant niet alles uit depot, alleen hetgeen hij nodig heeft. Met de hoofdsmid is de prijs van tweeduizend florijnen afgesproken als vergoeding voor de productie van nieuwe wapens.” “Aha,” zei Caspar, “dan moet ik maar eens met de garnizoenscommandant gaan praten.”

Later die dag keerden Ingeborg, Mirjam, Caspar en de adviseur van de koning weer terug naar het paleis. Een voor een mochten ze hun bevinden aan de koning presenteren. Allereerst begon Ingeborg. “Majesteit, door onderzoek te doen naar de geldstroom die gemoeid gaat met het bestellen en leveren van wapens, ben ik tot de conclusie gekomen dat uw inspecteurs overvallen en beroofd worden door voormalige werknemers van de smederijen.” “Ik word bestolen door smeden en knechten?” riep de koning in ontsteltenis uit. “Verklaar u nader!” “Het zit zo, majesteit. Door de gestegen prijs van ijzererts kon de hoofdsmid niet langer voldoen aan de productie-eisen. In plaats van zelf te produceren heeft hij zijn medewerkers ontslagen en tot de bedelstaf gedwongen. De wapens die u iedere maand het depot in ziet gaan worden uit het buitenland geïmporteerd. Waren uw inspecteurs niet beroofd dan had u niets gemerkt majesteit, want de geldbedragen kloppen.” “En hoe zit het dan met de diefstal van de wapens?” vroeg de koning. “Die is nog niet verklaard.” “Smeden, vooral de koninklijke smeden, zijn echte vaklieden” verklaarde Ingeborg. “Zij moeten hun kans schoon hebben gezien de sleutel van de officier van de wacht te stelen en te kopiëren.” De koning fronste. “Beveiliging was geloof ik het domein van uw collega” zei de koning en wendde zich tot Mirjam. “Wat zijn uw bevindingen?” “Ik heb de sloten van het depot en het gehele pand nauwkeurig onderzocht majesteit” antwoordde Mirjam. “Er zijn geen braaksporen aangetroffen en evenmin zijn er andere manieren, bijvoorbeeld een tunnel onder het depot, gebruikt om het depot binnen te komen. In zulke gevallen is het logisch te veronderstellen dat niet de techniek maar de mens de zwakke schakel is. De officier van de wacht draagt de sleutel op zijn lichaam, dus in tegenstelling tot wat mijn collega beweert, is het niet aannemelijk dat de sleutel gekopieerd is.” “Wat is uw conclusie dan?” vroeg de koning. “Mijn conclusie, majesteit, is dat de officier van de wacht en de garnizoenscommandant wapens verduisteren. Dankzij de gestegen prijs van ijzererts is er een levendige zwarte markt voor wapens die het lucratief maakt voor beiden om wapens uit het depot te stelen en te verhandelen. U weet immers al dat het garnizoen alleen nog maar bestaat uit rijkeluiskinderen die in glanzende uniformen flaneren. Een dergelijke levensstijl is duur in het onderhoud. Gelukkig is dit alles aan het licht gekomen doordat de juiste procedures voor het verplaatsen van wapens zijn gevolgd en uw adviseur regelmatig controles uitvoert. Mijn collega Caspar zal hierover meer vertellen.” Nu was het de beurt aan Caspar, die een stapje naar voren deed en diep inademde. “Majesteit,” begon hij. “U hebt inmiddels gehoord van de levendige handel in wapens, dat de smeden en knechten in armoede leven en dat er met de beveiliging van het depot niets aan de hand is.” De koning knikte. “Echter, ben ik niet van mening dat de smeden en knechten wapens stelen waarmee zij overvallen plegen, noch ben ik van mening dat de garnizoenscommandant en de officier van de wacht corrupt zijn en wapens verhandelen. De waarheid ligt een stuk eenvoudiger.” De koning trok een wenkbrauw op. “Ga door” zei hij. “Enkele maanden geleden heeft de hoofdsmid uw adviseur bericht dat de prijs van ijzererts flink gestegen was. De garnizoenscommandant heeft toen aan uw secretariaat doorgegeven dat er iedere maand honderd wapens minder geproduceerd hoefde te worden. Uw secretariaat heeft het bestelformulier aangepast, echter uw adviseur heeft verzuimd het bestelde aantal wapens te controleren. Hij was in de veronderstelling dat de commandant een eventuele aanpassing wel met u en hem zou afstemmen. Het formulier met de tweeduizend florijnen leverde hij steeds af bij de hoofdsmid. Laatst genoemde heeft nagelaten om navraag te doen over de verminderde productie-eisen omdat hij na het ontslaan van zijn medewerkers niet tegen de lamp wilde lopen. Er zijn geen wapens verdwenen. Er zijn gewoon minder wapens het depot in gebracht!” De koning keek een beetje beteuterd. “Wat u zegt kan niet waar zijn. Ik controleer zelf iedere maand de wagen die het depot wordt binnengereden.” “Aha, majesteit,” lachte Caspar. “Uw ogen hebben u bedrogen. Hebt u ieder krat, ook de kratten onderin de wagen, gecontroleerd?” Nu was het de beurt aan de koning om de kleur van een vers gesmeed zwaard te krijgen. “Nee, aangezien het een routinecontrole betrof heb ik niet de moeite genomen om ieder krat open te breken.” Even keek de koning naar zijn voeten. “Maar als er dan geen diefstal is gepleegd en de garnizoenscommandant geen wapens verduistert en aan bendes levert, hoe kan het dan dat mijn inspecteurs geen belastinggeld ophalen en met lege handen terugkeren? Worden ze überhaupt wel overvallen, zoals mijn hoofdinspecteur beweert?” “Majesteit, ik heb daar het antwoord nog niet op. Maar ik zal de zaak tot op de bodem uitzoeken, mits u mij aanstelt als Rijksonderzoeker.” De koning kon een lachje niet onderdrukken. “Jongeman, ik heb al een Rijksdienst van rekenmeesters en controleurs. Toch ben ik geneigd u aan te stellen, maar vóórdat ik dat doe wil ik graag van u antwoord op de volgende vraag: Wat kunt u nog toevoegen aan de onderzoeksfunctie waar het mijn andere onderzoekers aan ontbeert?” “Majesteit,” begon Caspar, “ik ben geen financieel expert noch weet ik iets van beveiligingsaspecten zoals mijn collega’s Ingeborg en Mirjam. Mijn focus ligt niet alleen op processen en procedures, maar bovenal op mensen, menselijk gedrag en menselijk taalgebruik. Het controleren van de koninklijke jaarrekening moet u mij niet laten doen. Ik kan u ook niet vertellen welke sloten u op uw depot moet zetten. Wat ik wel goed kan is luisteren naar mensen en de verhalen die zij vertellen analyseren en duiden. Iedereen beleeft problemen namelijk vanuit zijn of haar eigen beleving, identiteit en culturele normen en waarden. Sensitief zijn voor wát mensen vertellen en hoe zij het vertellen, kan meer inzicht geven in de kern van een probleem dan welke kwantitatieve, procedurele of financiële analyse dan ook. En net als in deze zaak is menselijk gedrag, bijvoorbeeld routinematig werken, vaker de boosdoener dan gedacht.” De koning knikte kort. “En mocht u het nog niet gemerkt hebben, ik ben ook instaat om opdrachten op creatieve wijze te verwerken en een leuk verhaal te vertellen.”